Zaterdagvoormiddag vielen de oldtimers van het Amerikaans leger plots Hooglede binnen en bezetten het dorsplein om er een bezoek te brengen aan het Oorlogsmuseum van Hooglede. Het werd een indrukwekkende colonne die heel wat bekijks had. Christ haalde zijn toestel boven en schoot tal van beelden. We danken hem hiervoor. Ze zijn te bezichtigen op onze pagina " Huldecomité " . Onderstaande foto is al een voorsmaakje van deze fotoreportage

 

Hooglede is met het Huldecomité voor Oorlogsslachtoffers een vaderlandslievende vereniging rijker. Hun doel: het oorlogsverleden van de gemeente bekend maken en de slachtoffers ervan eren.

Door de hoge ligging van de gemeente en het bijhorende uitzicht op de omgeving, speelde de gemeente Hooglede in haar geschiedenis een enorm belangrijke rol in drie oorlogen: enerzijds in de slag tussen het Oostenrijkse en Franse leger in 1794 en anderzijds de twee Wereldoorlogen. Dat oorlogsverleden wil de vaderlandslievende vereniging Huldecomité voor Oorlogsslachtoffers nu graag aan een breed publiek bekend maken. "Het Huldecomité zag ongeveer een jaar geleden het levenslicht in de schoot van het Roeselaarse Cultureel Genootschap De Denker", vertelt voorzitter Jos Bogaerts. "Nu willen we ons echt profileren als Hoogleedse vereniging met thuisbasis langs de Roeselarestraat. Onze bedoeling is om in eerste instantie vaderlandslievende plechtigheden in Hooglede, maar ook in de hele provincie, bij te wonen. Zo hebben we alvast een stevige band met de stad Lommel waar heel wat Poolse soldaten begraven liggen die onze regionen bevrijdden op het einde van WO II. We willen de Hoogledenaars graag de kans geven om samen met ons de Poolse soldaten, die de gemeente bevrijdden, te herdenken. Daarnaast willen we het Hoogleedse oorlogsmuseum, dat gehuisvest is onder de bibliotheek en vandaag niet zo gekend is, via allerlei kanalen promoten. Het is immers een museum dat op een voortreffelijke manier de oorlogsgeschiedenis van de gemeente belicht."

Militair evenement

2015 wordt nog gezien als opstartperiode. Zo deed de vereniging alvast een aanvraag om toe te treden tot de Culturele Raad van Hooglede. Maar vanaf 2016 willen ze zich pas echt laten gelden. "We plannen onder meer een groots militair evenement op de Markt en het Quirinusplein", verklapt Jos nog. "Veel kunnen we daar echter nog niet over vertellen want binnen 14 dagen zitten we samen met de gemeente die ons haar volledige steun verleent." (CDR)

Onze nationale feestdag is een goede gelegenheid om na te denken over het belang van de banden die ons met elkaar verenigen. Die banden zijn waardevol. Maar ze worden ook voortdurend op de proef gesteld.

Wij leven in een wereld van interconnectiviteit, ja zelfs van hyper-connectiviteit. De sociale media brengen ons dichter bij elkaar. De snelle vooruitgang van de informatica en het internet zijn fascinerend. Ze hebben een fundamentele impact op ons leven en op ons werk. Ze zijn een geweldige troef om de uitdagingen van de globalisering te trotseren en onze wereld duurzaam te maken. Dankzij de informatica zullen we in de toekomst ons doen en laten, onze gezondheidszorg, onze productiemiddelen en onze mobiliteit verstandiger kunnen beheren – tegen een lagere kost en een kleinere impact op het milieu.

Maar deze hyper-connectiviteit heeft ook schaduwzijden. Soms overspoelt het virtuele ons leven, alsof de hele wereld bij ons binnenvalt zonder dat wij daar om gevraagd hebben. In de virtuele wereld bestaan tijd en ruimte nog amper en dat zet er ons toe aan om àlles te willen en wel onmiddellijk. Dit kan leiden tot oppervlakkige relaties, die het menselijke cement niet de tijd geven om ‘zich te binden’, zodat wij daar duurzaam op voort kunnen bouwen. Bovendien bereikt dit overaanbod aan informatie ons vaak in de vorm van een geformatteerd ‘kant-en-klaar denken’, soms ten koste van het eigen denkvermogen.

Eerder dan aan kortstondige en oppervlakkige, virtuele contacten, hebben we behoefte aan waarachtige, diepgaande relaties. Alleen in zulke relaties kunnen persoonlijkheid en kritische geest zich ontwikkelen, geven wij het beste van onszelf, kunnen ieders talenten volop tot ontplooiing komen en krijgt ieder van ons de kans om zijn of haar eigen plaats te vinden in de maatschappij.

Tijdens onze recente bezoeken in het land, hebben de Koningin en ik heel wat mensen ontmoet die iedere dag opnieuw investeren in dat sociale en menselijke kapitaal. Ik denk daarbij aan de scholen en ondernemingen die de creativiteit en het initiatief stimuleren. Aan de netwerken van ondernemers die jongeren helpen om een eigen bedrijf op te starten. Aan de organisaties die kwetsbare mensen via sport, theater of andere activiteiten nieuwe kansen geven. Al deze initiatieven bouwen voort op échte relaties, die voor onze samenleving een hernieuwbare bron zijn van menselijke energie.

Zo is het ook van essentieel belang om reële, sterke en oprechte banden te smeden tussen de volkeren. Ik mocht het opnieuw vaststellen tijdens ons Staatsbezoek aan China. Samen met de federale overheden, de minister-presidenten van de deelstaten en een honderdtal zakenmensen en universiteitsrectoren hebben wij in de eerste plaats voortgebouwd aan een omgeving waarin vertrouwen kan gedijen, in het belang van onze beide landen. Onze banden met China zijn een engagement voor de toekomst.

Aan de grenzen van Europa spelen zich drama’s af die ons niet onverschillig mogen laten. Er woeden burgeroorlogen, staten desintegreren, vluchtelingen stromen toe. Dat wij ons daarvan zouden kunnen afsluiten, is een illusie. Europa is het aan zichzelf verplicht in zijn buurlanden die krachten te ondersteunen die streven naar politieke participatie en een gedeelde economische draagkracht.

Ik wil het ten slotte hebben over de banden tussen de volkeren van Europa. Na eeuwen met opflakkerende oorlogshaarden heeft zich tussen Europeanen een Unie gevormd waar alle landen die er deel van uitmaken, baat bij hebben. Volkeren en culturen krijgen er de kans om elkaar op een unieke manier te verrijken. Deze verbondenheid stoelt op een gezamenlijk geloof in de mens en in de meerwaarde die voortvloeit uit de som van onze sterkten. Laten we vermijden dat, wanneer het Europese project, zoals nu, een moeilijke tijd doormaakt, onze landen tegen elkaar worden opgezet. Integendeel, laten we de banden die ons verenigen verdiepen op basis van een herwonnen vertrouwen.

Dames en Heren,

Of het nu voor onszelf is, als landgenoten, Europeanen of als wereldburgers - we zijn werkelijk in staat om het verschil te maken door diepgaande, stevige en duurzame banden te smeden en te koesteren. Zij zijn het cement van onze beschaving, van onze veiligheid, van onze toekomst.

Ook namens de Koningin en onze hele familie wens ik u een mooie Nationale Feestdag toe.

Veeleer dan de kortstondige en oppervlakkige contacten in de virtuele wereld van het internet, hebben we nood aan waarachtige en diepgaande relaties waarin persoonlijkheid en kritische geest zich kunnen ontwikkelen, talenten kunnen ontplooien en waardoor iedereen een eigen plaats in de maatschappij kan vinden. Dat belang van duurzame banden heeft koning Filip maandag onderstreept in de aanloop naar de Nationale Feestdag. Hij stond in zijn toespraak ook stil bij de drama's aan de grenzen van Europa en problemen rond Griekenland.

De volledige tekst kan U hieronder lezen

            

 

.

Tijdens de Last Post avond aan de brandweerkazerne van Hooglede werd de nieuwe vaderlandse vereniging “ Regionaal Huldecomité voor Oorlogsslachtoffers”hartelijk verwelkomd door het College van Burgemeester en Schepenen. Ook de brandweerofficieren konden kennis maken met de nieuwe vereniging en poseerden samen met de Burgemeester en de bestuursleden op de foto. Ter ere van de Last Post werd een kleine parade gehouden en werd een eigen

Wat begon als een schoolproject is uitgegroeid tot een boek. In 'Wij maakten een oorlog mee' vertellen vijftig getuigen over hun kindertijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. "We dachten dat het een spelletje was", vertelt Gerard.

'Wij maakten de oorlog mee. Verhalen van bij ons uit de Tweede Wereldoorlog.' Zo heet het nieuwe boek, uitgebracht door erfgoedcel TERF. Kurt Himpe (N-VA), schepen van Cultuur in Izegem, legt uit waarom het een belangrijk boek is. "In de stortvloed van publicaties over de Groote Oorlog is een boek over de Tweede Wereldoorlog misschien een beetje vreemd", verklaart hij. "En toch is het van onschatbare waarde. Wie zit niet geboeid te luisteren als grootvader of grootmoeder vertelt over de oorlog?"

Schoolproject

Het idee startte eigenlijk bij de Izegemse middelbare scholen. De leerlingen kregen er de opdracht om WOII-getuigen te interviewen. Het bracht TERF op het idee om een bredere oproep te lanceren en al snel kregen ze meer reacties dan ze ooit hadden durven dromen. "We moesten er gewoon iets mee doen", vertelt Aline Verbeeck van TERF. "Het boek kostte anderhalf jaar intens werk. Meer dan 6.000 minuten interviews en 800 uur typwerk. En dat allemaal door een schare vrijwilligers die met hart en ziel hun schouders onder dit project hebben gezet." 'Wij maakten de oorlog mee' is een publicatie geworden met de kleine en persoonlijke verhalen uit onze streek.

Gestapo

Ook Remi Vanhaverbeke uit Dadizele komt aan het woord. Hij woonde tijdens de oorlog bij zijn nonkel. "Mijn broer werd opgepakt door de Gestapo", vertelt hij. "Hij is teruggekeerd, maar ik heb nooit geweten waarom hij opgesloten werd. Eén keer ben ik echt bang geweest: toen een vliegtuig op amper 500 meter van ons huis werd neergehaald. Ik herinner me ook nog hoe we af en toe chocolade toegestopt kregen van de Duitsers. Al moest je hen wel eerst wat leren kennen", knipoogt Remi.
Leona Santy woonde tijdens de oorlog samen met haar ouders en vier zussen in café De Nieuwe Straat in Roeselare. Zij vertelt over de Duitsers die vaak een pintje kwamen drinken. "En ze betaalden altijd", zegt ze daar meteen bij. "Het waren best eerlijke mensen. Als ze geen geld bij zich hadden, kwamen ze de dag erop met voedsel. Tijdens de bevrijding hebben we drie dagen lang gefeest in het café. Dat was een mooie tijd."

"Leuke periode"

Voor heel wat van de getuigen, toen acht, negen jaar, was de oorlog avontuur. Dat vertelt ook Gerard Tieghem. Hij woonde toen in Izegem. "De oorlog blijft me vooral bij als een leuke periode waarin we niet naar school hoefden", legt hij uit. "Ah, we hebben veel kattenkwaad uitgehaald. Zo 'ruimden' we eens alle telefoondraden op. Tot de politie aan de deur stond natuurlijk (lacht)." Na de oproep van TERF kwam er te veel reacties om ooit in een boek te verwerken en daarom zullen heel wat audiofragmenten binnenkort ook in de erfgoedbank terug te vinden zijn. Het boek kost 22,95 euro en is verkrijgbaar in de boekhandel.

HVO logo

 

Zolang de mens bestaat, heerst er ergens op de wereld een ruzie of een oorlog tussen de volkeren. Steeds wordt er achteraf gezegd dat men geleerd is en dat er nooit meer oorlog mag zijn. Maar de geschiedenis heeft geleerd dat de mens, met al zijn kennis, nog steeds niet geleerd is.


Is er op de tv één nieuwsuitzending waar er geen oorlogsgeweld in voorkomt? Ziet men niet dagelijks de beelden van geweld, verdrukking, kansloze slachtoffers zowel vrouwen, kinderen als mannen. Is het normaal dat kinderen op straat meevechten gewapend met allerhande wapens soms groter dan zijzelf?
Eén ding is zeker, velen sterven een gewelddadige dood voor hun ideaal, of het nu godsdienst is of verkrijgen van hun vrijheid.


Zo zijn reeds velen voorgegaan in de beide wereldoorlogen. Ook ons land en onze stad kregen hun deel.
Nu staat de "Grootte Oorlog" zeker weer in de kijker, op 4 augustus 1914 trok Duitsland ons land binnen om daarna heel West Europa 4 jaar te vernielen ne bezetten.


Roeselare kende bij de inval de zwartste bladzijde ooit uit hun oorlogsverleden. Hier stierven op onmenselijke manier 39 burgerlijke slachtoffers waaronder een groot aantal kinderen. Het was zo vreselijk en afschuwelijk en het was op maandag 19 oktober dat deze getekend werd als "Schuwe Maandag". Niet alleen Roeselare kende zijn schuwe dag maar bijna overal in Vlaanderen werden deze afschuwelijkheden herhaald.


Zo hebben Generaals van beide kampen duizenden soldaten ingezet om tot slot van de slag weer in dezelfde loopgraaf te zitten waar men vertrokken was, alleen, deze afstand van heen en terug was bezaaid met kraters en duizenden mannen gediend als kanonnenvlees. Iedere dag werd dit herhaald en iedere dag lagen weer al of niet herkenbare zwaar gekwetste of dode en verminkte lichamen .Alsof kanongeschut, mortiergranaten nog niet voldoende waren gebruikten ze nog eens het gevaarlijkste en nog bestaande wapen ook, met name de gasaanvallen. Mannen hieraan blootgesteld waren verminkt, zaten vol blaren, lichaamsfuncties zoals longen en hart vielen stil zodat een vreselijke doodstrijd vooraf ging.


Zeer veel mannen, soldaten uit alle werelddelen, hebben op zeer jonge leeftijd gestreden en zijn er gesneuveld voor onze vrijheid. Voor de vrede die wij nu kennen.
Stille getuigen zijn de vele kruisjes die men vindt op de militaire en burgerbegraafplaatsen.
Maar er zijn geen levende getuigen meer, hier en daar een boekverhaal of een documentaire die het allemaal van dichtbij hebben gefilmd.


Het is nu 100 jaar geleden van WO I , straks binnen een 26 tal jaar zal de tweede WO ook zijn strijd vereeuwigd zien.

 

Het is toch zo lang geleden en wij hebben hier geen oorlog meer! Neen, maar die mensen , hun leven gegen hebbend,deze mogen wij niet vergeten en niet vergeten kun je doen door te herdenken wat er is gebeurd. Wij hebben zoveel monumenten die ons een verhaal kunnen vertellen uit de oorlog. Monumenten die ons eraan herinneren hoeveel doden er gevallen zijn, welke helden zij waren op dit veld van eer.


Om dit niet te vergeten zijn er herdenkingen aan elk monument of erebegraafplaats
Oud-strijders gedenken hun gesneuvelde makkers of medestrijders niet meer. Ze zijn zelf te oud of zijn herenigd in het rijk der doden.


Straks staat er niemand meer om een gebed te zeggen of een bloem neer te leggen uit dank voor onze vrede.
Het wordt hoogtijd dat de jongere generatie de fakkel overneemt. Iedereen die zich dan ook geroepen voelt is dan ook van harte welkom in een comité die hulde brengt aan deze oorlogsslachtoffers.

 

Rony Bekaert

ter overpeinzing publiceren we de tekst van de 1-novembertoespraak onze Burgemeester Luc Martens :Wat doen wij hier?

Wij staan hier weer tussen veel vertrouwden en getrouwen - voor mij de negende keer in bijna 10 jaar burgemeesterschap - in het grensland van waar jaar na jaar honderden doorreizen naar een nieuw thuisland. Voor wie daarheen doorreist is er geen terugkeer meer. De veerman brengt niemand terug. Alle hoop

op terugkeer,op aanspreekbaarheid,op zichtbaarheid

blijkt tevergeefs.

Of noem je die plaats hier liever de wereld van het niet-meer-bestaan, waar de levenden van voorheen zich voor altijd verborgen houden. Het maakt nu even niet uit. De vraag blijft:

wat doen wij hier?

Vervullen wij gewoonweg een protocol dat wij jaar na jaar gewoontegetrouw herhalen? Wij komen dan naar hier toe omdat dit van ons wordt verwacht. We vormen sinds jaren - als leerkracht, lid van de harmonie, lid van een van onze vaderlandslievende verenigingen, medewerkers van stad, ... - de stoet van het stadhuis naar hier of we sluiten ons bij die stoet aan als we het kerkhof betreden. Zo'n protocol heeft tot zekere hoogte zin. Het helpt ons om de herinnering en het respect levendig te houden. Het voert weerwerk tegen het vergeten dat ons besluipt

als foto's verkreuken, scheuren en onder in de lade geraken,als voorwerpen aan de kant worden gezet of opgeruimd,als de verhalen van toen hij of zij er nog was, zeldzamer en minder geladen worden.

Maar een één november-protocol als dam tegen de achteloosheid en vergetelheid, die ons onmerkbaar traag, maar trefzeker besluipen, is finaal mager. Het doet lang niet voldoende recht aan hen die zijn heen gegaan. We doen zelfs onszelf onrecht. Want ook bij ons zal de bliksem inslaan zonder dat iemand die de weg wijst.

Wat doen we hier?

Gaat het er niet meer om dat we ons gegrepen voelen

door het mysterie van onze eindigheiddoor die ergerlijke onomkeerbaarheid van de dooddoor het verlangen toch wat zicht te krijgen op wat niet aanwijsbaar isdoor de hoop dat er na de dood toch nog iets komt, zoiets alsextra-timena-bestaanvoort-bestaan.

We hebben zo vaak straffeloos de deadline overschreden, maar plots blijkt dit de onomkeerbare dood. Wat komt daarna? We willen weten wat aan de andere kant van die grens is. Voorbij die schimmige einder. Verbergen al die sterren in het duister, veraf en eeuwig, ons het niet-bestaan, waar onze dode verwanten, beminde vrienden zich voor altijd verborgen hebben...?

En wij Wachten op hun stemmen en hun gezichten, of, als dat niet kan, op één enkel teken van hen, en we willen geloven dat we ooit opnieuw samen zullen zijn. (uit Het spiegelbeeld van het hiernamaals van Maja Panajotova)

Steeds weer blijken dit wachten en verlangen tevergeefs.

Is de werkelijkheid van de dood dan toch rauwer en verwordt ons bestaan van voorheen enkel tot rottend vlees dat van zijn botten valt? Verwordt het leven enkel tot een bestaan dat verwaait in zijn strooisel, een hiernamaals van wind en as?

Zo'n drukkende beelden dringen zich onvermijdelijk op als we de dood tegenover het leven plaatsen. Maar is de dood niet eerder een deel van het leven?

Houdt de dood ons geen spiegel voor en eist hij in afwachting niet een antwoord op onze vragen:

ben ik 'mij' geweest? Heb ik al dat klein en groot, al dat kleurige dat mij uitmaakte, een voor een doorleeft?ben ik 'jij' geweest? Heb ik al dat kleine en grote, al dat gewone en ongewone dat jou zo bijzonder maakte, wel willen zien, het laten leven, al zijn kansen gegeven?ben ik 'ons' geweest? Gemeenzaam, verbonden, gevat in een verhaal van geven en krijgen, zonder het een tegen het ander af te wegen...

Wat doen wij hier?

Helpt de dood ons hier niet beter begrijpen wat de doorslag geeft in het leven.

Door de tijd heen beginnen we in ons leven "de prijs" te kennen van de dingen. De dingen waar we ons aan vastklampen, de illusies die we najagen, de spijt die blijft knagen, de grauwe mist van het berouw waarin we terechtkomen. Al zijn we van vlees, het is of de dingen die ertoe doen nooit definitie krijgen. Uiteindelijk zien we in wat de doorslag geeft, wat werkelijk telt: niet wat we winnen, maar overhouden. Het residu van een leven.

Als we jong zijn spurten we als atleten of wielrenners naar de meet, we rennen of rijden rondjes door het stadion in de hoop te zegevieren als winnaar te worden gelauwerd. We willen de wereld de hele wijde wereld in onze hand... We kunnen de hele wereld aan we demarreren, dagen uit, sprinten voor de ander uit.

Maar als de jaren vorderen, ontdekken we dat het eigenlijk een heel andere wedkamp is waar we aan meedoen en dat de regels van het spel heel anders zijn dan we dachten. In plaats van wij tegen de rest van de wereld, wordt het ik tegen het zelf.

We worden op de hielen gezeten en we weten door wie, we voelen de eigen adem in onze nek, het geluid van naderende voetstappen achter onze rug, een schaduw die zich over ons heen buigt een bedwelmende lucht die ons omsluit en het lichaam langs alle kanten binnenkruipt. Gereutel dat ons ontsnapt alsof een lus zich strak trekt rond de luchtpijp. De belager trekt ons aan zijn lasso naar zich toe. Ontfermt zich over ons zuigt geest en lichaamssappen in zich op en werpt de rest weer terug ter aarde als een leeg geslurpte oesterschelp.

Al blijft ons hart nog zo lang pompen al lopen we het vlees van onze botten – deze race op leven en dood valt niet te winnen de slag zal nimmer in ons voordeel eindigen. De eeuwige grijns van de Tijd zet zich, vroeg of laat, af op ons aller gelaat. (uit Klipdrift van Serge van Duijnhoven)

"Wat werkelijk telt. En dat is niet wat we winnen, maar wat we overhouden! Of onthouden. Het residu van een leven, vooral als het er niet meer is."

Maar de dood heeft veel gezichten.

Soms zien we hoe de dood onze medemens besluipt en bij het oplopen van de jaren de tijd stil legt. Hij grijpt het leven naar de keel tot het ademloos sterft. Soms gebeurt het traag. Soms snel. Door een ongeval op de weg of op het werk. Of door een ongelukkige val. Of we worden het eeuwige zwijgen opgelegd door een aanslag. Of door een bajonet, een kogel, een granaat of een bom. Of door een dodelijk gas. Mosterdgas. Yperiet.

Zo sterven er dagelijks duizenden op talrijke plaatsen door bloedige conflicten. Zo zijn er al honderdduizenden gestorven, hier en ook iets verder af, maar toch nog dichtbij. Moedig. Overmoedig. Langs een front van vuur en licht. Lightfront.

We hebben dit jaar en ook nog de volgende jaren veel aandacht voor die oorlogsslachtoffers. Hopelijk niet enkel als onderzoekers, gidsen of ramptoeristen, of als commerçanten. Maar wel om het besef te voeden dat de oorlog een gruwel was en nog steeds is. En dat die oorlog ook vaak in miniatuur tussen ons is met dezelfde dodelijke gevolgen.

Voor kille onverschilligheid is hier geen plaats. Wel voor opstandigheid en verontwaardiging en voor verzet tegen

een onverzadigbare hebzucht,het eigen grote gelijk en onverdraagzaamheidde drammerigheid van fanatismetegen het gebrek aan respect en hoffelijkheid.

Ik stelde herhaaldelijk de vraag: wat doen we hier eigenlijk?

Misschien zijn we samen wel op zoek naar een beter begrijpen van dood én leven. Naar meer bedachtzaamheid. En naar Vrede met een grote letter. Vrede voor wie is gestorven – R.I.P. (requiescant in pacem). Vrede ook voor wij die hier nog zijn. Vrede vanuit de overtuiging dat

respect,verdraagzaamheid en openheid voor de andere / het andere,nederigheid en schoonheid

in staat zijn om van de aarde een leefbaarder plek te maken. Laten we hier beginnen.

Luc Martens, Burgemeestervan Roeselare 1 november 2014